Libanon

Libanon

Verhaal menu

 Wennen aan Nederland


Toen ik de volgende morgen wakker werd en m’n ogen open deed, bevond ik me in een heel vreemde slaapkamer. Er scheen wat zonlicht door een zolderraam wat de vreemdheid nog eens extra benadrukte want ik had maanden lang had ik in een raamloze ruimte geslapen. Er was ook geen aggregaat te horen wat het ook vreemd stil maakte. Er klopte gewoon helemaal niets van wat ik om me heen zag en hoorde of juist niet hoorde. Tot het naar bed gaan van de vorige avond, had ik tenminste nog wel in m'n legergroen gelopen. Een legergroen dat op de stoel lag waar ik het had neergelegd toen ik naar bed ging en toen ik eenmaal uit dat bed was gekomen, heb ik daar ook nog even mee in m'n handen gestaan tot ik, met tegenzin toch maar een, voor mij heel vreemd aanvoelende spijkerbroek aan deed. Daarmee liep ik toen maar de trap af en uiteindelijk ook de straat op. Beroofd van het laatste beetje militair zijn, had ik het gevoel dat ik echt helemaal niemand meer was en met heel veel tegenzin ging ik toen maar weer op in de gewone, anonieme Nederlandse massa.


Het terug naar Nederland moeten, had ik al puur gezien als het de onaangename onvermijdelijkheid die het voor mij nou eenmaal was en eenmaal thuis, heb ik nog dapper geprobeerd om mensen wat over Libanon te vertellen, vooral omdat iedereen me aanspoorde om dat te doen. Alleen niemand toonde echt interesse in wat ik uiteindelijk probeerde te vertellen en ik stuitte iedere keer weer op de zelfde muur van onbegrip en desinteresse. Ik had ook zelf, mijn verhaal nog niet op een rijtje en ik had ook niet het gevoel dat het iemand echt iets interesseerde. 

Ouderen begonnen bijvoorbeeld steevast, net als m’n pa, over hun, tweede wereldoorlog beleving als ik iets probeerde te vertelleen. Jongeren begonnen liever over de dingen die voor jongeren nou eenmaal belangrijker zijn en degenen die wel iets leken te willen horen bleken een vast idee te hebben over wat je hoort te vertellen als je uit een “crisisgebied” komt. Al mijn hoop had ik dus gevestigd op het moment waarop ik er eindelijk met m'n vriendin over zou kunnen praten. 


Het hele terug naar Nederland komen had ik al bij voorbaat gezien als de onvermijdelijke verplichting die het feitelijk ook was. Natuurlijk heb ik, eenmaal terug, nog wel geprobeerd om wat over Libanon te vertellen, ook omdat iedereen er naar vroeg natuurlijk, maar ik was iedere keer weer op de zelfde muur van onbegrip en desinteresse gestuit. Ik had dan ook het gevoel, dat wat ik te vertellen had, door niemand echt interessant genoeg werd gevonden. 
Ouderen begonnen bijvoorbeeld net als m’n pa, steevast over hun tweede wereldoorlog beleving. Jongeren begonnen liever over de zaken die voor jongeren nou eenmaal belangrijker zijn en degenen die wel iets leken te willen horen bleken een vast idee te hebben over wat je hoort te vertellen als je uit een “crisisgebied” komt en dat, was blijkbaar niet wat ik te vertellen had. Een spannend oorlogsverhaal was oké maar m'n gestuntel over die heerlijke tijd, daar was dat niet. Al mijn hoop, had ik gevestigd op de gesprekken die ik met m'n vriendin zou gaan hebben want zij zou me begrijpen.


Toen ik op 29-04-1982 officieel afzwaaide uit het leger, moest ik weer gewoon gaan werken bij m'n oude baas. De vaste baan die ik voor Libanon al had gehad, had ik dus gewoon gehouden terwijl ik tussendoor even m'n dienstplicht vervulde. zo was dat toen, wettelijk geregeld. Voordat ik naar Libanon was gestuurd, was dat, gewone fabriekswerknemers bestaan ook nog heel gewoon voor me geweest maar toen ik, na Libanon weer terug moest naar die ooit zo gewone baan, bleek ik niet meer dezelfde jongen te zijn die "in dienst" had gemoeten. Er bleek een enorme kloof tussen m’n collega's en mij te zijn ontstaan. Mijn ideeën over een normaal bestaan, bleken totaal veranderd te zijn, maar dat was iets dat, voor mij pas duidelijk werd toen ik weer  bij die oude baan moest gaan werken. Tot dat moment had ik me nog gewoon een teruggekeerde militair gevoeld. Op m'n werk moest ik ineens weer gewoon een “werknemer” worden. Gewoon een jongen van net twintig, die officieel nog steeds niet volwassen was en naar z'n eerste echte, grote-mensen baan terug moest, na het alleen maar even vervullen van zijn dienstplicht. Niks bijzonders dus.


Toen de gesprekken in de werkkantine, na de eerste “hoe was het in Libanon?” vragen,

waar ik op dat moment al niet meer echt iets op wist te zeggen, al snel weer over gingen op, de gewone werkkantine onderwerpen, viel mij eigenlijk pas op hoezeer ik, niet meer die jongen was die, ruim een jaar eerder het leger in had gemoeten. Toen werd voor mij ook pas duidelijk dat mijn collega’s en ik in twee totaal verschillende werelden leefden. Met een alleen maar steeds grootere wordende tegenzin ging ik echter wel dagelijks, keurig naar m'n werk toe terwijl ik met smart wachtte op de gesprekken die ik met mijn vriendin zou gaan voeren.

Alleen met haar, zo had ik mezelf wijsgemaakt, zou ik zinnig kunnen praten. Ik moest alleen nog even wachten tot ze klaar was met haar schoolexamen en naar me toe zou komen.